https://www.academia.edu/1269819/Fenome ... hd_Thesis_
onzichtbare is niet de niet- manifestatie. Het onzichtbare is eerder een limiet van het zichtbare, aldus Henry.
Dit inzicht signaleert Henry onder andere in het christendom, precies waar het zich keert tegen de determinaties van en door de eindige, materiële en zichtbare ‘wereld’. Zijn en existentie worden niet langer gedacht vanuit de eindigheid van
de wereld waar het zichtbare vigeert, maar strekken zich uit tot in het oneindige.
Het gaat er dus niet om, dat de wereld van het zichtbare en die van het
onzichtbare radicaal gescheiden zijn. Integendeel, de horizon van de wereld
wordt verlegd tot in het onzichtbare. De christen denkt zijn oorsprong niet vanuit de zichtbare wereld, maar vanuit God, de onzichtbare.
Het christelijke verzet tegen de materiële wereld moet volgens Henry daarom niet primair moreel, maar fenomenologisch begrepen worden.
Zo getuigt de Bergrede van ‘onverschilligheid’ ten aanzien van de wereld naar wereldse normen. Het zijn wordt niet vanuit de norm van de wereld zelf gedacht. De norm die daar geldt, is in de wereld zelf onzichtbaar. De wereld is het tegenovergestelde van de
onzichtbaarheid, maar niet op een dialectische manier. De fenomenaliteit van de zichtbare wereld verblindt als het ware de realiteit die onzichtbaar is.
Wat hier beschreven wordt vinden we in de Bijbel terug in 2 Korintiërs 4:18.
Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.
Voor de mens die zichzelf en Christus wil begrijpen is het in Henriaanse zin zo gelegen dat de mens een synthese is van het Eeuwige en het tijdelijke. Onze tijdelijke essentie is meer dan bekend, net zoals de tijdelijke wereld waarin we leven. Hier staat het mooi omschreven: de zichtbare wereld verblindt als het ware de realiteit die onzichtbaar is. Mede wegens onze eigen gerichtheid op de wereld.
De ontdekking van het onzichtbare, of de realiteit in zijn oppositie tegen de gekende
en begrepen ontologische irrealiteit van de ‘wereld’, ziet Henry in L’essence de la manifestation als het wezen van het christendom.
Niet het zichtbare maar het onzichtbare is de grond van openbaring. Het onzichtbare heeft niets van doen
met een ‘voorbij-het-zichtbare’ ( au-delà du visible ) of ‘het transcendente’. Het ligt als het ware vóór de drempel van de waarneming, niet er voorbij. Integendeel, aldus Henry, het is de oorspronkelijke essentie van het leven, dat het christendom
slechts vanuit de immanentie van God, en dus niet vanuit de transcendentie begrijpt.
Het is mooi omschreven: het onzichtbare (het eeuwige) ligt voor de drempel van de waarneming van de wereld. Gods waarneming en mijn waarneming is
dezelfde waarneming. (Malebranche's Vision en Dieu).
God is de plaats van de geesten zoals de ruimte de plaats van lichamen is', schrijft Malebranche in Van de zoektocht naar waarheid (1674). Ideeën die ons verlichten kunnen alleen in God worden gevonden, want 'er is alleen het universele en oneindige wezen dat in zichzelf een universele en oneindige rede bevat'. De rede mag dan universeel zijn, deze universaliteit ligt niet op het niveau van de menselijke soort.
De theorie van het visioen in God kan worden geïnterpreteerd als een reactie van het christelijke denken, om het cartesiaanse rationalisme te assimileren in plaats van te verwerpen. Ze maakt aandacht tot een 'natuurlijk gebed', waarbij ze zelfbewustzijn onderscheidt van ware zelfkennis (die noodzakelijkerwijs via God verloopt) om elke aanspraak op zelfstichting aan de cogito te ontnemen. Malebranche verzoent op zeer bekwame wijze het introspectieve denken van Descartes met dat van Augustinus.
(De laatste twee alinea's zijn niet van mijn hand, maar translate uit het Frans.)
Wie begerend is ziet slechts de uiterlijke vorm, wie niet-begerend is ervaart de verborgenheid.