opzoek schreef: 09 aug 2026, 13:07
Genesis 1:1
De Nieuwewereldvertaling — studie-uitgave zegt:
„In het begin schiep God de hemel en de aarde.”
De gewone NWV van 2017 gebruikt precies dezelfde woorden. Genesis 1 in de studie-uitgave
De Hebreeuwse grondtekst
בְּרֵאשִׁית בָּרָא אֱלֹהִים אֵת הַשָּׁמַיִם וְאֵת הָאָרֶץ
Bereshit bara Elohim et hashamajim we’et ha’arets.
Hebreeuws Betekenis
Bereshit in het begin
bara hij schiep
Elohim God
et geeft het lijdend voorwerp aan
hashamajim de hemel of hemelen
we’et en [het volgende lijdend voorwerp]
ha’arets de aarde
„In het begin”
Dit betekent niet het begin van God. Jehovah heeft geen begin:
„Van eeuwigheid tot eeuwigheid bent u God.” — Psalm 90:2.
Het gaat om het begin van de stoffelijke schepping: het moment waarop God de hemel en de aarde tot bestaan bracht. De Bijbel vermeldt hier geen datum en zegt ook niet hoelang geleden dit gebeurde. Genesis 1:1 laat dus zonder probleem ruimte voor een zeer oud heelal en een zeer oude aarde.
„Schiep”.
Het Hebreeuwse werkwoord bara betekent scheppen of voortbrengen. De vorm bara staat hier in het enkelvoud: letterlijk „hij schiep”.
Dat is belangrijk omdat Elohim uiterlijk een meervoudsvorm heeft, maar hier met een enkelvoudig werkwoord wordt verbonden. De zin behandelt God dus grammaticaal als één handelende persoon. De vorm Elohim bewijst geen Drie-eenheid.
Waarom staat er „God” en niet „Jehovah”?
In de Hebreeuwse tekst van Genesis 1:1 staat Elohim, „God”. Het Tetragrammaton JHWH staat niet in dit vers. Daarom vertaalt de NWV dit terecht met „God”.
In Genesis 2:4 verschijnt voor het eerst de combinatie „Jehovah God”. Uit de rest van de Bijbel blijkt dus wie de God uit Genesis 1:1 is:
„Dit zegt Jehovah, de Schepper van de hemel, de ware God, degene die de aarde gevormd en gemaakt heeft.” — Jesaja 45:18.
„De hemel en de aarde”.
Deze woorden kunnen samen de gehele stoffelijke schepping aanduiden:
„de hemel”: het uitgestrekte heelal met de hemellichamen;
„de aarde”: onze planeet.
Genesis 1:1 beschrijft daarom de oorspronkelijke schepping van het heelal en de aarde. De zes scheppingsdagen worden pas vanaf Genesis 1:3 beschreven. In vers 2 bestond de aarde al, maar ze was nog „woest en leeg”. De scheppingsdagen gingen dus vooral over het gereedmaken van de aarde voor leven en uiteindelijk voor de mens.
Had Jezus hierbij een rol?
Genesis 1:1 noemt God als de Schepper. Andere teksten maken duidelijk dat Jehovah zijn eerstgeboren Zoon als „meesterwerker” gebruikte (Spreuken 8:30).
Dat wordt bijzonder duidelijk in 1 Korinthiërs 8:6:
„Voor ons is er in werkelijkheid maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn […] en er is één Heer, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn.”
Jehovah is dus de bron en opdrachtgever: uit hem zijn alle dingen. Jezus was degene door wie Jehovah de schepping tot stand bracht. Vergelijk Johannes 1:1-3 en Kolossenzen 1:15, 16.
Kruisverwijzingen in de studie-uitgave.
Bij Genesis 1:1 geeft de studie-uitgave zeven verwijzingen:
Psalm 102:25 — God legde de fundamenten van de aarde.
Jesaja 42:5 — God schiep de hemel en spreidde de aarde uit.
Jesaja 45:18 — Jehovah vormde de aarde om bewoond te worden.
Romeinen 1:20 — Gods eigenschappen zijn in de schepping waarneembaar.
Hebreeën 1:10 — de grondvestiging van de aarde en het werk van Gods handen.
Openbaring 4:11 — alle dingen bestaan omdat Jehovah ze heeft geschapen.
Openbaring 10:6 — degene die de hemel, de aarde en de zee heeft geschapen.
Kern van Genesis 1:1
In één korte zin worden enkele fundamentele waarheden vastgelegd:
Het heelal is niet vanzelf ontstaan.
De stoffelijke schepping had een begin.
God bestond al vóór dat begin.
Jehovah is de uiteindelijke Bron van alles wat bestaat.
De Bijbel geeft geen ouderdom van het heelal of de aarde.
Genesis 1:1 staat vóór de beschrijving van de scheppingsdagen.
Het vers is daarmee eigenlijk het opschrift boven het hele scheppingsverslag: eerst schiep God het heelal en de aarde; daarna wordt verteld hoe hij de aarde geschikt maakte voor leven.